Vikinghonden
In onze zoektocht naar de waarheid achter de titel ‘De Hond van de Vikingen’ duiken we diep in de geschiedenis en proberen we te achterhalen wat feit is, en wat fictie is.
Ik heb zelf 4 Ijslandse Honden, en in boeken, op het internet… waar je ook gaat zoeken; één van de eerste dingen die je tegenkomt, als je leest over de IJslandse hond, is dat hij bekend staat als 'De Hond van de Vikingen'. Maar is dit ook wel echt zo?
In dit artikel ga ik op zoek naar de waarheid achter deze bewering, want er zijn, naast de Ijslandse Hond, nogal wat andere rassen die eveneens claimen deze afstamming te hebben. In onze zoektocht naar de waarheid achter de titel ‘De Hond van de Vikingen’ duiken we diep in de geschiedenis en proberen we te achterhalen wat feit is, en wat fictie is.
Archeologische en geschreven bronnen tonen ons dat de IJslandse hond een oud ras is dat al meer dan duizend jaar bestaat. De oorsprong ervan gaat inderdaad terug naar de tijd van de Vikingen of, beter gezegd, de Noormannen. Dit zijn de Scandinavische bewoners van Noorwegen, Denemarken en Zweden. In veel gevallen wordt er een onderscheid gemaakt tussen de benamingen ‘Viking’ en ‘Noorman’. Daarbij staat de term ‘Noormannen’ voor de gehele bevolkingsgroep, terwijl met de term ‘Vikingen’ slechts het zeevarende deel van die groep wordt bedoeld die, vanuit Scandinavië, Europa introkken voor handel, rooftochten en uiteindelijk veroveringen. Het overgrote deel van de Noormannen waren boeren, die zich niet bezig hielden met plunderen, maar gewoon hardwerkende mensen waren in een voortdurende strijd om genoeg voedsel verbouwd te krijgen om de lange wintermaanden door te komen. Om het hele verhaal een beetje overzichtelijk te houden, gebruik ik verder in dit artikel de term ‘Vikingen’ als algemene benaming voor de gehele bevolkingsgroep.
Hoe de Vikingen in de eerste plaats aan hun honden zijn gekomen is niet geweten. We weten enkel via DNA onderzoek dat hun oorspronkelijke honden heel erg veel gemeenschappelijk hebben met de Laika’s, welke van het oosten (Rusland) bij de Vikingen moeten zijn terechtgekomen. Het zijn deze honden die de basis vormden van alle verschillende types van honden die de Vikingen later zouden hebben.
Het is fascinerend om te ontdekken dat de Vikingen niet alleen de voorouders van de IJslandse hond als gezelschap hadden, maar ook deze van verscheidene andere moderne rassen, elk met hun eigen unieke eigenschappen. De Lundehund, bijvoorbeeld, die bekend staat om zijn behendigheid en vermogen om vogels te vangen op steile kliffen. De Buhund, de Lappenhonden en de Västgötaspets, allemaal uitstekende herdershonden, terwijl de Karelische Berenhond en de Noorse en Zweedse Elandhonden werden gebruikt bij de jacht op groot wild, zoals elanden. En laten we de Finse Spitz niet vergeten, met zijn levendige persoonlijkheid en vaardigheid in de jacht op klein wild.
Dit zijn slechts enkele voorbeelden, want er zijn nog veel meer erkende, en niet erkende rassen die hun oorsprong bij de Vikingen vinden, maar al deze honden, of hun voorouders dan toch, speelden een belangrijke rol in het dagelijkse leven, en in deze huidige tijden beweert elk van hen, op zijn eigen manier, ‘DE hond van de Vikingen’ te zijn.
Maar wie verdient nu uiteindelijk deze prestigieuze titel? Misschien is het antwoord niet zo eenvoudig. Elk van deze rassen heeft een unieke band met de Vikingen, en het is misschien niet helemaal eerlijk om er slechts één uit te moeten kiezen. In plaats daarvan kunnen we hun herkomst en hun betekenis voor de Vikingen in verschillende contexten bekijken en waarderen. Het is duidelijk dat de Vikingen een diepe waardering hadden voor honden en ze op verschillende manieren in hun leven en activiteiten gebruikten. Of het nu ging om jagen, waken, hoeden of gewoon als gezelschap, deze trouwe metgezellen vervulden een belangrijke rol in deze gemeenschappen.
Hoewel we geen gedetailleerde verslagen hebben van de specifieke honden die de Vikingen hadden, weten we wel dat ze verschillende soorten honden hadden die hen vergezelden tijdens hun expedities en een rol speelden in het dagelijks leven. Ze gebruikten verschillende woorden om naar hun honden te verwijzen. Zo werd bijvoorbeeld het woord ‘Festargarmr’ gebruikt om te verwijzen naar een hond die aan een ketting lag, terwijl ‘Garmr’ vaak werd gebruikt als algemene term voor honden.
Er zijn nog andere voorbeelden van benamingen die de Vikingen gebruikten voor verschillende types van honden en die we kunnen terugvinden in de vroege literatuur. Deze benamingen vertellen ons vooral iets over de taak van de honden, en niet zozeer iets over de honden zelf. Zo kan dezelfde hond benoemd worden als Búrakki, Hjarðtík, Smárakki en Varðhundr, afhankelijk van welke taak hij op dat moment uitvoert.
Dýrhundr: hertenjager
Búrakki: boerderijhond
Hjarðtík: herdershond
Kofarnrakki: schoothond
Smárakki: kleine hond
Veiðihundr: jachthond
Varðhundr: waakhond
Gedetailleerde beschrijvingen van het uiterlijk van deze honden zijn er niet. Hoogstens vermeldingen als ‘grote zwarte hond’, of ‘kleine bruine hond’.
De Vikingen, net zoals andere oude culturen, kenden en fokten geen rassen zoals we die vandaag de dag kennen. Hoewel er best wel eens gefokt zal zijn op uiterlijk, wanneer iemand een erg mooie hond had waarvoor hij veel complimentjes kreeg, was dat in die tijd de minst belangrijke eigenschap die een hond kon hebben. Ze selecteerden honden op basis van hun werkvaardigheid en capaciteiten, en fokten om aan specifieke behoeften te voldoen. Dit fokbeleid, gericht op prestaties, zorgde ervoor dat de Vikingen verschillende typen honden ontwikkelden die goed pasten bij hun specifieke behoeften. Het vermogen van een hond om te werken en taken uit te voeren was van het grootste belang. In de harde leefomstandigheden waarin de Vikingen zich bevonden, waren honden immers essentieel om de dagdagelijkse taken rond te krijgen.
Ze werden gebruikt voor het hoeden van vee, het bewaken van eigendommen, het trekken van sledes en voor de jacht.
De honden moesten veerkrachtig en intelligent zijn en ze moesten kunnen samenwerken met elkaar en met hun mensen. Ze leefden nauw samen met hun mensen en waren betrouwbare metgezellen in hun dagelijks leven. Een goede hond was een statussymbool, en wie meerdere honden kon onderhouden werd als een rijk man gezien.
Het uiterlijk van de hond was slechts een secundaire overweging. Een hond die er erg mooi uitzag maar niet kon werken, was nutteloos. Deze honden werden beschouwt als een belasting voor de vaak al beperkte voedselvoorraad, zonder bij te dragen aan het aanvullen ervan. Aan de andere kant was een "lelijke" hond die met één enkel commando de schapen kon verzamelen, ze terug naar het dorp kon leiden en ze daar kon houden totdat zijn baas arriveerde, meer waard dan goud.
Dit pragmatische fokbeleid zorgde ervoor dat de Vikingen honden hadden die geschikt waren voor hun specifieke omstandigheden en taken, en die in staat waren om te overleven en te gedijen in de barre omgeving waarin ze zich bevonden. Deze focus op functionaliteit en prestaties leidde tot de ontwikkeling van verschillende typen honden die stuk voor stuk goed pasten bij de behoeften en omstandigheden van de Vikingen.
Het is op deze manier dat de Vikingen een grote bijdrage hebben geleverd aan de evolutie en diversiteit van hondenrassen, zonder zich bewust te zijn van het creëren van de rassen zoals we die vandaag de dag kennen. Hun selectie en fokpraktijken waren puur gebaseerd op praktische overwegingen en resulteerden in de ontwikkeling van veelzijdige en capabele honden die een integraal onderdeel werden van de Vikingcultuur en -samenleving.
Het is belangrijk dat we dit beleid van functioneel fokken begrijpen bij het beschouwen van de honden die de Vikingen bezaten, omdat het de mindset en prioriteiten van de Vikingen met betrekking tot hun honden weerspiegelt.
De Vikingen hadden honden die behoorden tot het bredere spectrum van wat we nu ‘spitshonden’ noemen. Dit omvatte honden met rechtopstaande oren, een krachtige lichaamsbouw, een staart die over de rug gedragen wordt en een dikke vacht. Deze honden hadden zich goed aangepast aan de koude klimaten waarin de Vikingen opereerden. Maar hoewel er dus nog geen ‘rassen’ waren, kunnen we wel aannemen dat ze honden hadden die vergelijkbaar waren met de spitz-achtige rassen die tegenwoordig nog bestaan, zoals de Laika’s, Karelische Berenhond, Noorse Elandhond en natuurlijk de Ijslandse Hond.
In de saga’s (in het Oudnoords geschreven middeleeuwse verhalen over de oude geschiedenis van Scandinavië en Germanië, over de eerste reizen van de Vikingen, over hun kolonisatie van IJsland, en over vetes tussen IJslandse families) vinden we talloze vermeldingen terug over de honden en hun taken. Hoewel deze bronnen geen gedetailleerde beschrijvingen geven van de hondenrassen die werden gebruikt, geven ze wel aan dat het gebruik van honden voor het trekken van sledes, de jacht en het hoeden en drijven van vee, niet vreemd was voor de Vikingen. Het is belangrijk op te merken dat deze literaire bronnen niet altijd historisch accuraat kunnen zijn en dat er geen gedetailleerde verslagen zijn van het precieze gebruik van honden door de Vikingen. Over het algemeen wijzen deze verhalen echter wel op het gebruik van honden in het dagdagelijkse leven van de Vikingen.
Gebruik als sledehonden:
Eyrbyggja Saga (Saga van de bewoners van Eyr):
Thorgunna had sledehonden, zes in totaal, en ze spande ze voor haar slede. Ze reisde met haar honden naar de boerderij van Snorri de Priester.
Laxdæla Saga (Saga van de bewoners van de Laxdal-vallei):
Ze hadden vier sledes en honden, en gingen de fjord op om te jagen.
Hrafnkel's Saga (Saga van Hrafnkel):
Hrafnkel had een aantal honden en rendieren. Hij spande zijn honden voor zijn sledes en reed ermee door het land.
De Vikingen maakten gebruik van honden als 'werktuigen' voor het trekken van sledes. Deze honden werden speciaal getraind om sledes voort te trekken, vaak met zware ladingen, over besneeuwd en ijzige terrein. Ze moesten uithoudingsvermogen, kracht en een goede tractie op gladde oppervlakken hebben om deze taak uit te voeren. De Vikingen selecteerden en fokten honden met de juiste fysieke eigenschappen en temperament voor het trekken van sledes. Om de honden voor te bereiden op het trekken van sledes, werden ze van jongs af aan getraind. Ze leerden gehoorzaamheid en commando's om de bewegingen van de sledes te sturen. Daarnaast werden ze ook fysiek getraind om de kracht en het uithoudingsvermogen op te bouwen die nodig waren voor het trekken van zware ladingen over lange afstanden. De Vikingen maakten gebruik van het natuurlijke instinct van de honden om te trekken en te werken in teamverband. De honden werden vaak aangespannen in een groep, waarbij ze samenwerkten om de sledes voort te bewegen. Dit vereiste coördinatie en samenwerking tussen de honden.
De sledes die de Vikingen gebruikten, waren doorgaans gemaakt van hout en hadden een plat oppervlak met glijders aan de onderkant. Ze werden gebruikt voor verschillende doeleinden, zoals transport van goederen, jagen en reizen over lange afstanden in de winterse omstandigheden van het Viking gebied. Deze tochten waren vaak in uitdagende omstandigheden, over besneeuwd, ijzig en vaak ruw terrein. De honden moesten deze omstandigheden trotseren en krachtig genoeg zijn om de sledes voort te trekken, zelfs op steile hellingen en door diepe sneeuw. De sledehonden waren essentieel voor de mobiliteit en het transport van de Vikingen, vooral tijdens de wintermaanden. Ze maakten het mogelijk om goederen, voedsel en andere benodigdheden over grote afstanden te verplaatsen, evenals om te jagen en op verkenning te gaan in afgelegen gebieden die moeilijk bereikbaar waren voor andere vervoersmiddelen. Dit gebruik van sledehonden gaf de Vikingen een aanzienlijk voordeel in hun expedities en reizen, waardoor ze hun territorium konden verkennen en uitbreiden, handel konden drijven en de barre omstandigheden van de winter konden overwinnen.
Gebruik van jachthonden:

Eyrbyggja Saga (Saga van de bewoners van Eyr):
Thórólfr ging op jacht met honden, en ze kwamen thuis met een grote buit aan wild.
Laxdæla Saga (Saga van de mensen uit Laxdal):
Ketil trok eropuit met honden om te jagen in de bergen, en hij keerde terug met veel wild.
Grettis Saga (Saga van Grettir):
Grettir jaagde met zijn hond, die getraind was om wilde dieren op te sporen.
De Vikingen maakten actief gebruik van honden bij de jacht. Deze honden werden getraind en ingezet om te helpen bij het opsporen en vangen van wild, variërend van konijnen tot rendieren, elanden en beren. De jachthonden van de Vikingen waren geselecteerd en gefokt vanwege hun scherpe zintuigen, uithoudingsvermogen en snelheid. Ze hadden een goed ontwikkeld reukvermogen en konden de geur van het wild detecteren, zelfs op grote afstanden. Deze honden waren in staat om het spoor van het wild te volgen en het naar de jagers te leiden. Eenmaal op het spoor van het wild gebruikten de jachthonden hun snelheid en wendbaarheid om het wild bij te houden en het in bedwang te houden totdat de jagers arriveerden. Ze werkten vaak in groepen en werkten samen om het wild te omsingelen en ter plaatse te houden, wat het jacht proces vergemakkelijkte. De jachthonden van de Vikingen waren veelzijdig en aangepast aan verschillende terreinen. Ze konden navigeren door dichte bossen, moerassen en andere uitdagende omgevingen om hun prooi te achtervolgen. Hun wendbaarheid en snelheid maakten hen effectieve jagers in verschillende landschappen. Het gebruik van honden bij de jacht bood de Vikingen verschillende voordelen. Het vergrootte hun kans op succes bij het verkrijgen van voedsel en grondstoffen uit de natuurlijke omgeving. Bovendien versterkte het de band tussen de Vikingen en hun honden, aangezien de jagers afhankelijk waren van de vaardigheden en inzet van hun honden tijdens de jacht expedities.
Waakhonden:

Egils saga (Saga van Egil):
Toen kwam Egil met zijn hond buiten. Het was een grote hond en stond bekend om zijn scherpe zintuigen en waakzaamheid.
Gísla saga Súrssonar (Saga van Gísli Súrsson):
Gísli had een sterke waakhond bij zich, die altijd aan zijn zijde bleef. De hond was waakzaam en liet geen vreemden onopgemerkt voorbijgaan.
Vatnsdæla saga (Saga van de bewoners van Vatnsdalur):
Op de boerderij hadden ze een grote waakhond. Zijn geblaf was luid en angstaanjagend, en hij beschermde de boerderij tegen indringers.
Honden speelden ook een belangrijke rol als waakzame metgezellen en bewakers in de Vikingcultuur. Ze werden gehouden om de Vikingen te beschermen tegen indringers en om als waarschuwingssysteem te dienen voor naderende gevaren. De Vikingen waren zich bewust van de waardevolle bijdrage die honden konden leveren aan hun veiligheid en bescherming. Ze hadden een scherp gehoor en waren alert, waardoor ze in staat waren potentiële bedreigingen te detecteren die buiten het zicht van de mens zouden kunnen blijven. Deze waakzaamheid maakte honden tot uitstekende metgezellen en bewakers voor de Vikingen, vooral in een tijd waarin er constant gevaar en onzekerheid was. De Vikingen konden vertrouwen op hun honden om verdachte geluiden of naderende vijanden te signaleren, waardoor ze voorbereid konden zijn op mogelijke confrontaties. De scherpe zintuigen van de honden, waaronder hun gehoor en reukvermogen, waren van onschatbare waarde. Ze konden ongewone geluiden opmerken, zoals voetstappen of het geluid van wapens, en reageren door te blaffen of te grommen en zo hun mensen te waarschuwen voor mogelijke dreigingen. Deze waakzaamheid gold niet alleen voor de Vikingnederzettingen en -boerderijen, maar ook voor de Vikingkampen tijdens militaire expedities en verkenningen. Honden werden gebruikt als een vorm van vroegtijdige waarschuwingssysteem, waardoor de Vikingen op de hoogte werden gebracht van mogelijke aanvallen of infiltraties. Deze rol als bewakers en waarschuwers maakte de honden tot waardevolle metgezellen van de Vikingen. Ze waren loyaal en betrouwbaar, en hun aanwezigheid gaf de Vikingen een gevoel van veiligheid en bescherming in een onzekere wereld.
Herdershonden:

Laxdæla Saga (Saga van de bewoners van Laxdal):
Thórdís had een goede herdershond die de schapen bewaakte en ze bij elkaar hield in de heidevelden.
Eyrbyggja Saga (Saga van de bewoners van Eyr):
Eiríkr had een slimme herdershond die de schapen naar de weide leidde en ze beschermde tegen roofdieren.
Vatnsdæla Saga (Saga van de bewoners van Vatnsdal):
Thorleifr had een getrainde herdershond die de kudde schapen begeleidde tijdens het grazen.
De Vikingen hadden ook een diep respect voor de werkethiek en toewijding van herdershonden. Ze begrepen dat deze honden een cruciale rol speelden bij het beheren en beschermen van hun kostbare schapen. De passages in de saga's getuigen van deze waardering en laten zien dat de Vikingen vertrouwden op de vaardigheden en betrouwbaarheid van hun herdershonden. De Vikingen waren afhankelijk van schapen en geiten voor hun vlees, melk, wol en andere materialen, en het hoeden en beschermen van de kuddes was van groot belang voor hun dagelijkse leven. De herdershonden die door de Vikingen werden gebruikt, waren getraind om te helpen bij het hoeden van schapen in de ruige landschappen en barre omstandigheden waarin de Vikingen leefden. Ze waren intelligent, behendig en hadden een goed begrip van de kudde dynamiek. Een goede herdershond kon de kudde verzamelen, naar het dorp leiden en ze daar houden totdat de herders arriveerden, en indien nodig beschermen tegen roofdieren of andere bedreigingen.
Landrassen
Wat we qua honden hebben, op dit punt in ons verhaal, zijn verschillende types van ‘landrassen’. Een ‘landras’ is een dynamische populatie van honden, die door menselijk ingrijpen ter plaatse in stand wordt gehouden en zich door de jaren heen heeft aangepast aan zijn leefomgeving. Een landras is dus een type hond, dat door mensen selectief wordt gefokt met een bepaalde taak voor ogen en dat zich heeft ontwikkeld tot een vrij uniforme groep honden die zich, mede door de menselijke selectie, heeft aangepast aan de taak en de omgeving. De menselijke selectie hier is dan vooral gebaseerd op het kiezen van de beste en gezondste werkhonden.
Dit in tegenstelling tot een ecotype, dat niet door menselijk ingrijpen in stand wordt gehouden, zoals bijvoorbeeld de Dingo, de wilde hond uit Australië.
Een landras verschilt dan weer van een ras, zoals wij dat nu kennen, doordat een ras ontstaan is uit een door de mens bewust gemaakte kruising en waarbij een uniform uiterlijk het hoofddoel is.
Door de meestal bredere genetische samenstelling kan een landras zich doorgaans beter aanpassen aan veranderende omstandigheden.
Al deze Viking-tijdperk hondentypes kunnen dus worden beschouwd als landrassen, omdat ze zich, bij selectie geholpen door de lokale bevolking, op natuurlijk ontwikkelden binnen de specifieke regio's waar de Vikingen zich vestigden. Deze honden vertoonden kenmerken die werden gevormd door de omgeving, werkvereisten en culturele praktijken van de individuele Vikinggemeenschappen. De honden waren zeer aanpasbaar, gefokt om het harde Scandinavische klimaat en terrein te doorstaan. Hun dikke vachten, stevige bouw en uithoudingsvermogen maakten hen zeer geschikt voor de veeleisende taken die ze uitvoerden. Of het nu ging om het hoeden van vee, bewaken van eigendommen of ondersteunen bij de jacht, Vikinghonden werden geselecteerd op de instincten, intelligentie en fysieke eigenschappen die nodig waren voor deze taken. Natuurlijke selectie speelde een belangrijke rol bij de ontwikkeling van Viking-tijdperk honden. Alleen de meest capabele en aanpasbare individuen werden gekozen voor de fok, waardoor hun genen werden doorgegeven aan toekomstige generaties. Dit proces zorgde ervoor dat de honden de gewenste eigenschappen bezaten voor werk en overleving binnen de Vikinggemeenschap.
Geografische isolatie droeg verder bij aan de landraskenmerken van Vikinghonden. De nederzettingen in geïsoleerde en moeilijk bereikbare plaatsen zorgden voor verschillende regionale variaties, waarbij de vaak beperkte genenpool en de beperkte fokmogelijkheden leidden tot het ontstaan van lokaal aangepaste landrassen.
Hoewel de term ‘landras’ een modern woord is, helpt het ons begrijpen hoe Viking-tijdperk honden werden gevormd door hun omgeving en taken, waarbij de essentie van landras-rassen naar voren komt. Deze honden belichamen de wisselwerking tussen natuur, menselijke selectie en de unieke culturele context van de Vikingen.
De verschillende variëteiten in de verschillende Viking gemeenschappen waren allemaal anders, maar toch hadden ze ook allemaal gemeenschappelijke kenmerken. Maar waar het ene dorp de focus legde op schapen en geiten houden, en ook hun honden fokten om met die taken te helpen, was in een ander dorp de jacht belangrijker en was in nog een ander dorp handel het voornaamste middel van voortbestaan. En hoewel hun honden misschien wel dezelfde voorouders hadden, gingen ze dan toch een andere richting uit. In het eerste dorp kozen ze de honden uit die het beste om konden met het vee, in het tweede de honden die het beste de jagers konden helpen en in het derde de honden die de wagens, boten en handelswaar konden beschermen.
Naarmate de tijd verstreek kwamen er ook steeds meer andere ‘rassen’ bij de Vikingen langs. Er zijn verschillende manieren waarop deze andere hondenrassen bij de Vikingen terechtkwamen. Hoewel gedetailleerde verslagen ontbreken, kunnen we toch met vrij grote zekerheid zeggen hoe deze rassen zich verspreidden onder de Vikingen, op basis van de historische context en de bredere patronen van hun migratie en handel. De Vikingen waren actieve handelaars die handelsrelaties onderhielden met verschillende regio's en culturen. Tijdens deze handelsreizen kwamen ze ook in contact met hondenrassen die werden gehouden door andere volkeren. Zo verkregen ze honden van verschillende rassen die ze mee terug namen naar hun eigen gebieden.
Daarnaast stonden de Vikingen natuurlijk bekend om hun plundertochten en veroveringen in verschillende delen van Europa en zelfs daarbuiten. Tijdens deze expedities hebben ze honden buitgemaakt of ontvangen als onderdeel van hun oorlogsbuit. We kunnen gerust aannemen dat ze ook honden van verschillende rassen hebben meegenomen uit veroverde gebieden.
Menselijke migratie speelde ook een rol. Mensen die zich bij de Vikingen voegden of zich vestigden in Vikinggemeenschappen, brachten hun eigen hondenrassen mee. Deze migratie heeft ook bijgedragen aan de diversiteit van hondenrassen onder de Vikingen.
Daarnaast hadden de Vikingen vredig contact met veel andere volkeren. Tijdens deze interacties konden ze nieuws en invloeden uitwisselen, inclusief kennis over hondenrassen. Zo leerden ze nieuwe rassen kennen die ze daarna weer geïntroduceerd hebben binnen hun eigen gemeenschappen.
Op verschillende manieren kwamen er dus doorlopend nieuwe honden, van nieuwe types en nieuwe bloedlijnen in de diverse dorpen terecht die op hun beurt telkens weer bijdroegen aan de variatie van viking honden.
Is er dus een hond, een ras, dat we 'DE hond van de Vikingen kunnen noemen'? Nee, naar mijn mening niet. Er zijn veel rassen die zijn geëvolueerd uit de honden die de Vikingen hielden. En allemaal hebben ze gelijk als ze zeggen dat de oorsprong van het ras bij de Vikingen terug te vinden is.